| |
|
DE VALSE ANTONINUS
Beeld en werkelijkheid van Heliogabalus in de oudheid
met deelname van Martijn Icks
Heliogabalus. Elagabalus. Varius. Antoninus. De verschillende namen waarmee hij in de moderne geschiedschrijving en literatuur wordt aangeduid, geven reeds aan hoeveel ambiguïteit er rond de identiteit van deze keizer bestaat. Hoewel Heliogabalus slechts enkele jaren aan de macht is geweest, van 218 tot 222 na Christus, heeft zijn korte regering aanleiding gegeven tot zoveel verzinsels, overdrijvingen en misverstanden dat het in veel gevallen moeilijk, zo niet onmogelijk, is om feit van fictie te onderscheiden. In de antieke literatuur leren we Heliogabalus kennen als een gewetenloze tiran, een gedegenereerd monster dat zijn lusten op zowel mannen als vrouwen botvierde, zich te buiten ging aan geraffineerde wreedheden en zwolg in overvloedige weelde. Talloze dichters, schrijvers en kunstenaars hebben dit beeld in latere tijden aangegrepen om hun eigen versie van de keizer te creëren. Zo voerde de achttiende-eeuwse toneelschrijver Tysens hem als meedogenloze schurk op de planken en schilderde Alma-Tadema in 1888 The Roses of Heliogabalus, een schilderij waarop te zien valt hoe de sadistische monarch zijn banketgasten doet stikken in een regen van rozenblaadjes. Heliogabalus kwam er iets beter van af in De berg van licht, de roman die Louis Couperus in 1905 en 1906 over hem publiceerde, maar al was de jonge keizer volgens Couperus ‘geniaal, en artiest in alles wat hij deed’, ook de Haagse schrijver liet niet na om zijn weeldezucht en perverse trekjes te benadrukken. [1] Tot op de dag van vandaag heeft Heliogabalus een bedenkelijke reputatie, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn rol als hogepriester van een bloeddorstige god in de zevendelige stripreeks La dernière prophétie van Gilles Chaillet, die momenteel in Frankrijk verschijnt.
Het is opmerkelijk dat een keizer die slechts vier jaar aan de macht is geweest bijna achttien eeuwen later nog steeds zo tot de verbeelding spreekt. Vergeleken met de talloze romans, toneelstukken en opera’s die aan Heliogabalus zijn gewijd, lijkt onze bescheiden kennis van de historische figuur nauwelijks de moeite van het vermelden waard. Wat kunnen we nu eigenlijk met zekerheid zeggen over de monarch die van 218 tot 222 na Christus de scepter over het Romeinse rijk zwaaide? Was hij werkelijk zo slecht en verdorven als de antieke auteurs ons willen doen geloven? En als dat niet het geval was, waar komt hun uitgesproken aversie van deze kortstondige heerser dan vandaan? In deze lezing wil ik proberen de regering van Heliogabalus zo goed mogelijk te reconstrueren. Tegelijkertijd wil ik proberen te achterhalen hoe en waarom hij reeds in de oudheid aan zijn negatieve, extreme imago kwam. Welke beelden van Heliogabalus werden er tijdens en kort na zijn regering geconstrueerd? En in hoeverre hebben die beelden ons zicht op de historische werkelijkheid – op de ‘echte’ Heliogabalus, als ik zo vrij mag zijn – vertroebeld?
De antieke auteurs die het meest over Heliogabalus hebben geschreven, zijn Cassius Dio, Herodianus en de anonieme auteur van de Historia Augusta. Gedrieën staan zij aan de wieg van het bloeiende, inventieve Nachleben dat Heliogabalus in de kunst en literatuur ten deel is gevallen. Cassius Dio en Herodianus waren beiden geschiedschrijvers die ten tijde van Heliogabalus leefden, hoewel ze tijdens de periode 218-222 niet in Rome verbleven. Cassius Dio was een senator, Herodianus behoorde tot een lagere stand. Beiden richtten ze zich in hun werk op de Griekstalige elite uit het oosten van het rijk. De Historia Augusta, een reeks in het Latijn geschreven keizerbiografieën, werd waarschijnlijk pas aan het einde van de vierde eeuw geschreven, ruim anderhalve eeuw nadat Heliogabalus aan zijn einde was gekomen. Het werk geldt als bijzonder onbetrouwbaar en met name de Vita Heliogabali, waarin de regering van Heliogabalus wordt beschreven, hangt van de sterke staaltjes aan elkaar. Dit blijkt al meteen als de afkomst van de beruchte keizer ter sprake komt. De auteur laat ons weten dat Varius, zoals hij de jongen soms noemt, zijn bijnaam volgens sommigen aan zijn schoolkameraden te danken had. Zijn moeder zou namelijk zo promiscue zijn geweest dat hij, in weerwil van elke biologische waarschijnlijkheid, uit ‘gevarieerd zaad’, dat wil zeggen het zaad van verscheidene mannen, was ontstaan. [2]
Gelukkig geven Cassius Dio en Herodianus ons serieuzere informatie over de afkomst van Heliogabalus. Volgens Dio was hij de zoon van Sextus Varius Marcellus, een Syriër die rond het jaar 200 verscheidene hoge staatsambten bekleedde, en Julia Soaemias, telg van een vooraanstaande familie uit het Syrische stadje Emesa. [3] Uit een teruggevonden grafinscriptie blijkt dat deze twee inderdaad met elkaar getrouwd waren. [4] Heliogabalus’ oorspronkelijke naam luidde waarschijnlijk Varius Avitus Bassianus. [5] Via zijn moeder was hij reeds bij zijn geboorte, die rond het jaar 204 moet hebben plaatsgevonden, verbonden aan de keizerlijke familie. Julia Soaemias was namelijk een nichtje van Julia Domna, de vrouw van keizer Septimius Severus. Deze had in 193 de macht gegrepen en de Severische dynastie gesticht, waarvan ook Heliogabalus deel zou uitmaken.
Aanvankelijk leek het onwaarschijnlijk dat de zoon van Marcellus en Soaemias ooit op de troon zou belanden. Toen Severus in 211 stierf, werd hij opgevolgd door zijn beide zonen, Caracalla en Geta. Hoewel de oude keizer het tweetal op het hart had gedrukt om in harmonie met elkaar te regeren, gunden beide jongelingen elkaar het licht in de ogen niet. Binnen een jaar had Caracalla zijn jongere broer dan ook laten ombrengen en de macht voor zich alleen opgeëist. Lang kon hij er echter niet van genieten. Reeds in 217 werd ook hij op zijn beurt vermoord, toen hij in het oosten van het rijk een militaire expeditie tegen de Parthen aanvoerde. Wellicht gebeurde dit op instigatie van zijn pretoriaanse prefect Macrinus; een van de twee hoofden van de keizerlijke lijfwacht. De soldaten riepen Macrinus tot opvolger van Caracalla uit en lieten de senaat in Rome geen andere keus dan hun beslissing te bekrachtigen. De oude Julia Domna, Caracalla’s moeder, wanhoopte en pleegde zelfmoord. Zo leek de Severische dynastie na twee generaties reeds ten einde te zijn.
Julia Domna had echter nog een zus, Julia Maesa, die gedurende de regering van Severus en Caracalla bij haar in het paleis had gewoond en daar veel geld en invloed had verworven. Deze rijke en machtige dame was de grootmoeder van Heliogabalus. Na de dood van Caracalla en Julia Domna keerde ze terug naar Emesa. Het is onduidelijk of Heliogabalus en zijn moeder met haar mee terugkeerden, zoals het door Herodianus wordt voorgesteld, of dat de toekomstige keizer in Emesa is opgegroeid. [6] Hoe het ook zij, in 218 was Heliogabalus hogepriester van Elagabal, een zonnegod die in Emesa en omstreken werd aanbeden in de vorm van een zwarte, kegelvormige steen. [7] De namen Elagabalus en Heliogabalus, waarmee de keizer vaak wordt aangeduid, zijn van deze god afgeleid. Elagabal zou tijdens de regering van Heliogabalus dan ook een grote rol spelen.
Herodianus besteedt in zijn geschiedwerk enige aandacht aan de zonnecultus van Emesa en de rituelen die de jonge Heliogabalus – op dat moment ongeveer veertien jaar oud – als hogepriester van de zonnegod voltrok. Het meest opmerkelijk en bekend is wel de rituele dans die hij ten ere van Elagabal opvoerde. Volgens Herodianus trok hij daarmee heel wat bekijks. In de woorden van de geschiedschrijver:
‘Wanneer hij als priester in functie was en volgens inheems gebruik rond de altaren danste bij de klank van fluiten en klarinetten en velerlei andere instrumenten, trok hij bij de aanwezigen en met name bij de soldaten meer dan gewone belangstelling, want behalve de aantrekkingskracht, die zijn jeugd op allen had, wisten ze dat hij van koninklijke afkomst was. (…) De soldaten kwamen vaak in de stad en gingen dan ook naar de tempel om de eredienst bij te wonen en hadden er plezier in de jongen te zien.’ [8]
De soldaten waarover Herodianus spreekt, waren afkomstig van het Romeinse legioen III Gallica, dat niet ver van Emesa was gelegerd. De geschiedschrijver vertelt hoe Julia Maesa handig inspeelde op de belangstelling die de manschappen voor haar kleinzoon toonden. Ze liet het gerucht verspreiden dat Heliogabalus een bastaardzoon was van Caracalla, de laatste Severische keizer. Dit was mogelijk omdat Marcellus, naar alle waarschijnlijkheid de echte vader van de jongen, in 218 reeds was overleden. Maesa beloofde de soldaten bovendien rijkelijk te zullen belonen als ze haar familie terug aan de macht zouden brengen. [9] Cassius Dio heeft een iets andere versie, waarin een zekere Gannys, de minnaar van Julia Soaemias, de soldaten op eigen initiatief tot opstand aanzet. [10] Het ligt echter meer voor de hand dat Julia Maesa, het invloedrijke hoofd van de familie, bij het plan betrokken was. Mogelijk had ze daarbij hulp van andere lokale machthebbers en misschien zelfs van enkele senatoren in Rome, die er belang bij hadden de Severische dynastie te herstellen.
De soldaten van III Gallica geloofden maar al te graag dat Heliogabalus inderdaad de zoon van Caracalla was. Ze hadden weinig op met Macrinus, die geen militaire achtergrond had en bezuinigde op de soldij. Toen de jonge priester uit Emesa hun dan ook werd getoond in de kleren die Caracalla als kind had gedragen, riepen ze hem volgens Cassius Dio eensgezind tot keizer uit. [11] Andere soldaten kregen lucht van de pretendent en sloten zich bij het opstandige legioen aan. De gevolgen voor Macrinus waren rampzalig: de zittende keizer, die zich in de Syrische hoofdstad Antiochië bevond, zag zijn macht zienderogen afbrokkelen. Met alle troepen die hij in de gauwigheid kon verzamelen, trad hij tegen Heliogabalus’ rap groeiende leger in het strijdperk. De beslissende strijd vond plaats op 8 juni 218, niet ver van Antiochië. Macrinus werd verpletterend verslagen en Heliogabalus trok zegevierend de stad binnen. [12] Wederom werd de Romeinse senaat voor een voldongen feit gesteld: de senatoren konden het keizerschap van Heliogabalus alleen maar erkennen.
Om zijn zogenaamde afkomst te onderstrepen en zich duidelijk te profileren als lid van de Severische dynastie, liet Heliogabalus zijn ‘vader’ Caracalla en zijn ‘grootmoeder’ Julia Domna vergoddelijken. Er werden speciale herdenkingsmunten voor hen geslagen. [13] Bovendien nam de kersverse keizer een nieuwe naam aan: voortaan heette hij niet meer Varius Avitus Bassianus, maar Marcus Aurelius Antoninus. Ook deze maatregel bevatte een duidelijke boodschap, want Marcus Aurelius Antoninus was de officiële naam van Caracalla geweest. Tegelijkertijd verwees de naam Antoninus naar de tweede-eeuwse dynastie van de Antonijnen, die erg gunstig bekend stond. Door zich als de rechtmatige opvolger van deze illustere voorgangers te presenteren, hoopte Heliogabalus ongetwijfeld dat een deel van hun prestige op hem zou afstralen.
Niet iedereen was even gecharmeerd van de kunstgrepen die de nieuwe keizer toepaste om zijn positie te verstevigen. Cassius Dio, die wist wie Heliogabalus’ werkelijke vader was, noemt hem in zijn geschiedwerk keer op keer spottend de ‘Valse Antoninus’. [14] Herodianus gebruikt wel de officiële naam, evenals de auteur van de Historia Augusta. De laatste kan het echter niet laten om er voortdurend commentaar op te leveren. Heliogabalus ‘had de naam Antoninus alleen maar aangenomen om zijn afkomst te bewijzen’, aldus de auteur. ‘Of misschien was het omdat hij had begrepen dat die naam bij het volk zo geliefd was dat zelfs de broedermoordenaar Caracalla populair bleef vanwege zijn naam.’ [15] Als we de Vita Heliogabali mogen geloven – en dat is altijd maar de vraag – had de maatregel in Rome overigens wel het gewenste effect: ‘Alle rangen en standen, ja het hele volk was in rep en roer bij het horen van de naam Antoninus.’ [16]
Toch zouden de inwoners van Rome nog even moeten wachten op hun nieuwe Antoninus. Heliogabalus en zijn familie bleven eerst in het oosten om orde op zaken te stellen en af te rekenen met andere pretendenten. Ze brachten de winter door in Nicomedia, een stad aan de westkust van het huidige Turkije. Daar zou Heliogabalus zich volgens Herodianus meteen op de verering van Elagabal hebben gestort. De geschiedschrijver geeft een gedetailleerde beschrijving van de kleding die de keizer daarbij zou hebben gedragen:
‘Hij droeg de kostbaarste kleren van bijzonder model uit goud- en purperdraad geweven; hij sierde zich op met halssieraden en armbanden en droeg een kroon in de vorm van een tiara vervaardigd uit goud en edelstenen. De snit van zijn kleding hield het midden tussen de Phoenicische priesterdracht en het galakostuum van de Perzen. Alle Romeinse en Griekse kleren vond hij afschuwelijk. Die waren van wol, van goedkope stof gemaakt, zei hij. Voor hem was alleen Chinese zijde goed. Als hij op straat kwam, werd hij begeleid door fluitmuziek en trommels, waarschijnlijk ook een eerbewijs voor zijn god.’ [17]
Wanneer we deze beschrijving vergelijken met munten waarop Heliogabalus als hogepriester van Elagabal staat afgebeeld, valt op dat de sieraden en kroon op de munten ontbreken. Dat zou deels verklaard kunnen worden uit plaatsgebrek, maar we kunnen ons ook afvragen hoe nauwkeurig Herodianus’ beschrijving is. De geschiedschrijver associeert het gewaad van de hogepriester uit Emesa met Medië, Perzië en China. Heliogabalus wordt op deze manier neergezet als een ‘oosterling’, dat wil zeggen als iemand die buiten de Grieks-Romeinse beschaving staat. Dit wordt nog eens benadrukt door de opmerking dat de keizer walgde van Griekse en Romeinse kleding.
De daaropvolgende anekdote zet Heliogabalus eveneens als ‘oosterling’ neer. Als we Herodianus mogen geloven, zou Julia Maesa er bij haar kleinzoon op hebben aangedrongen om bij de intocht in Rome een Romeinse toga te dragen. De weerspannige Heliogabalus weigerde, maar nam wel een merkwaardig besluit:
‘Hij bedacht evenwel dat het goed zou zijn dat de senaat en het volk van Rome vast wenden aan zijn uiterlijke verschijning, en hij wilde wel eens nagaan hoe ze op het zien van zijn kleding zouden reageren als hij er niet bij was. Daarom liet hij een groot schilderstuk maken, ten voeten uit zoals hij placht op te treden bij de vervulling van zijn priesterambt. Hij werd geschilderd terwijl hij offerde aan zijn god, die hij eveneens op het schilderij liet afbeelden. Dit stuurde hij naar Rome met de op-dracht het op te hangen in het midden van een wand van de senaatszaal, heel hoog, boven het hoofd van Victoria, waarvoor de senatoren bij hun bijeenkomsten ieder persoonlijk wierook offeren en wijn plengen. (…) Toen hij later aankwam in bovenbeschreven dracht, zagen de Romeinen daar niets vreemd meer in, omdat ze er door het zien van het schilderij aan gewend waren.’ [18]
Herodianus schildert Heliogabalus in zijn werk af als de stereotiepe oosterling, dat wil zeggen als een verwijfde, weeldezuchtige figuur die alles vertegenwoordigt waar Griekenland en Rome in zijn ogen niet voor staan. Hij is de exotische buitenlander die met vreemde rituelen vol ‘springen en dansen’ een vreemde god aanbidt. Daarbij is hij een niet-man die make-up gebruikt en zich verwijfd opdirkt. [19]
Ook Cassius Dio doet enkele duiten in dit zakje. Hij schrijft dat Heliogabalus en zijn grootmoeder ‘barbaarse gezangen’ voor Elagabal zongen en beschuldigt de keizer van het brengen van mensenoffers; in de Grieks-Romeinse wereld een zwaar taboe. [20] Daarnaast zou Heliogabalus zich hebben vermaakt met het weven van wol – een uitgesproken ‘vrouwelijke’ activiteit – en zowel zijn manier van doen als de intonatie van zijn stem hebben verfraaid. [21] Hij volgde daarmee het voorbeeld van de ultra-verwijfde Sardanapalus, een mythische Assyrische vorst met wiens naam Heliogabalus regelmatig door Dio wordt aangeduid. Om zijn punt helemaal zonneklaar te maken, doet de geschiedschrijver er nog een paar schepjes bovenop: Heliogabalus zou volgens hem zijn getrouwd met een brute wagenrenner, door wie hij zich regelmatig in elkaar liet slaan, en zou plannen hebben gehad om door middel van een incisie een vagina in zijn lichaam te laten implanteren. [22] Het behoeft nauwelijks toelichting dat zo’n verwijfde, perverse buitenlander, die noch als man, noch als Romein kon worden beschouwd, totaal ongeschikt was om het rijk te regeren.
De negatieve etiketten die Cassius Dio en Herodianus op Heliogabalus plakten, kunnen dus worden teruggevoerd op bekende Grieks-Romeinse stereotypen. Ook andere ‘slechte keizers’, zoals Nero en Caligula, waren door antieke auteurs als verwijfd, weeldezuchtig en pervers afgeschilderd, maar vanwege zijn ‘oosterse’ afkomst moest Heliogabalus het extra ontgelden. Als we ervan uit gaan dat de extreme verhalen van de geschiedschrijvers op zijn hoogst een kern van waarheid bevatten, blijft echter de vraag waar hun aversie vandaan komt. Wat maakte Heliogabalus in hun ogen nu tot zo’n vreselijke keizer, die alle haat en spot verdiende die maar over hem kon worden uitgestort?
Het antwoord heeft vermoedelijk te maken met de religieuze hervormingen die Heliogabalus tijdens zijn regering heeft doorgevoerd. Nadat hij in 219 in Rome was aangekomen, leek de keizer zich in eerste instantie naar de Romeinse cultuur te schikken. Hij huwde Julia Paula, telg van een eerbiedwaardige Romeinse familie, en zond via munten en inscripties traditionele boodschappen uit, waarin hij een tijdperk van vrede en voorspoed inluidde. [23] De nieuwe Antoninus leek zijn naam eer aan te willen doen. Aan het volk van Rome beloofde hij een goede graanvoorziening, vastgelegd in het muntopschrift ANNONA AVGVSTI; aan de elite burgerlijke vrijheid en rechtszekerheid, vastgelegd in het opschrift LIBERTAS AVG(VSTI). [24] De zwarte steen van Elagabal, die Heliogabalus uit Emesa had meegenomen, bleef voorlopig op de achtergrond.
Dit veranderde aan het einde van 220, toen de keizer een nieuwe en radicale weg in sloeg. Hij scheidde van Julia Paula en huwde in plaats daarvan Aquilia Severa. Dit was een groot schandaal, want Severa was een Vestaalse maagd – volgens Dio zelfs de opperpriesteres der Vestaalse maagden, de belangrijkste priesteres van Rome – en had een kuisheidsgelofte afgelegd. [25] Het verhaal lijkt zo ongeloofwaardig dat we in eerste instantie geneigd zouden zijn het als laster van de hand te doen. Echter, het feit dat het zowel door Cassius Dio en Herodianus als door de Historia Augusta wordt vermeld, en het feit dat de naam Aquilia Severa inderdaad op munten uit de regering van Heliogabalus verschijnt, wijzen erop dat we hier waarschijnlijk te maken hebben met een authentieke gebeurtenis. [26] Naar de motieven van de keizer kunnen we alleen maar raden, maar mogelijk dacht hij een verbond te kunnen sluiten tussen de cultus van Elagabal en de staatsreligie van Rome.
Rond dezelfde tijd dat Heliogabalus een Vestaalse maagd huwde en daarmee een van de zwaarste Romeinse taboes doorbrak, liet hij de zonnegod Elagabal door de senaat tot de nieuwe oppergod van het Romeinse pantheon verklaren. Jupiter, tot dan toe de onbetwiste heerser van de Romeinse godenwereld, moest plaats maken voor de zwarte steen. Op munten van Heliogabalus komt de oude oppergod na 220 niet meer voor. Zijn eretitel conservator – beschermer van de keizer – werd overgenomen door Elagabal. [27] Deze ontwikkeling moet voor de traditioneel ingestelde Romeinen al even schokkend zijn geweest als het controversiële huwelijk van de keizer. Geen enkele voorgaande heerser had aan de macht van Jupiter durven tornen. Heliogabalus ging echter nog verder: hij liet zijn hogepriesterschap van Elagabal door de senaat opnemen in zijn officiële keizerlijke titulatuur. Voortaan duidde hij zich in inscripties aan als sacerdos amplissimus dei invicti Solis Elagabali; ‘allerhoogste priester van de onoverwinnelijke zonnegod Elagabal’. [28]
De keizer bouwde een grote tempel op de Palatijn, het Heliogabalium, waarin hij de zwarte steen onderbracht. Volgens de Historia Augusta wilde hij de heilige voorwerpen van alle religies in deze tempel verzamelen; een bewering die wordt ondersteund door een passage in Herodianus en daarom best eens waar zou kunnen zijn. [29] Bovendien liet Heliogabalus het cultusobject van de Punische maangodin Urania naar Rome halen om met de zonnegod in het huwelijk te treden. Deze verbintenis tussen zon en maan, die waarschijnlijk kosmische harmonie symboliseerde, werd volgens Herodianus op keizerlijk bevel in heel Italië gevierd. [30] Volgens de geschiedschrijver was er ook sprake van een eerder huwelijk tussen Elagabal en de oorlogsgodin Minerva, maar dit is niet zeker. [31]
Vanaf eind 220 speelde Elagabal een voorname rol in het openbare leven. Herodianus vermeldt dat Heliogabalus dagelijks talloze dieren aan zijn god offerde. Deze plechtigheden, waarbij de hele senaat en de ridderstand aanwezig moesten zijn, worden door de geschiedschrijver als typisch oosters voorgesteld. In kleurrijk detail beschrijft hij de ‘Phoenicische’ kleding van de deelnemers, de reukwerken, de muziek van cymbalen en tamboerijnen, en de dansende vrouwen. [32] We kunnen alleen maar raden of het er echt zo uitbundig aan toe ging. Herodianus vermeldt ook dat Heliogabalus in de buitenwijken van de stad een tweede, kleinere tempel voor Elagabal bouwde. [33] Tweemaal per jaar zou de zwarte steen in een plechtige processie van de ene naar de andere tempel zijn gebracht. Een indrukwekkend schouwspel, aldus de geschiedschrijver:
‘Het beeld van de god liet hij op een met goud en de kostbaarste edelstenen versierde wagen plaatsen en bracht het zo uit de stad naar buiten. De wagen werd getrokken door een zesspan van abnormaal grote sneeuwwitte paarden. Aan hun tuig was geen goud gespaard en ze droegen veelkleurige hoofd-stellen. Niemand hield de leidsels, want het was verboden op de wagen te komen; zij waren om het beeld geschikt alsof de god zelf de wagen bestuurde. Antoninus ging in vlugge pas voor de wagen uit, achteruit lopend, de ogen voortdurend op het godenbeeld gericht en zijn hand aan de teugels. Heel de weg legde hij zo af, achteruitlopend en kijkend naar de voorkant van zijn god.’ [34]
Bij dit merkwaardige ritueel maakte Heliogabalus deel uit van een lange stoet, waaraan lijfwachten, toortsdragers, bloemenstrooiers en soldaten deelnamen. Beelden van andere goden, tempelschatten, de keizerlijke standaarden en kostbare erfstukken werden meegevoerd in de optocht, die met veel feestelijkheden gepaard ging. [35]
Wat de precieze betekenis van dergelijke rituelen was, valt voor ons niet meer te achterhalen. Evenmin kunnen we vaststellen wat Heliogabalus tot zulke drastische religieuze hervormingen bracht. Oprechte religieuze overtuiging lijkt de meest plausibele verklaring te zijn. Tegelijkertijd lijkt de omwenteling van eind 220 echter gebruikt te zijn om de keizer een nieuw en krachtiger imago te geven. Waarschijnlijk gebeurde dit niet op zijn eigen initiatief, maar op het initiatief van zijn ondergeschikten, die er belang bij hadden om Heliogabalus aan de macht te houden. Zij waren zich er waarschijnlijk maar al te goed van bewust dat hun stroman niet al te stevig op de troon zat. Heliogabalus was een kindkeizer die zich niet of nauwelijks kon beroemen op indrukwekkende militaire of bouwkundige prestaties. Hij had geen glansrijke politieke loopbaan afgelegd. Bovendien berustte zijn dynastieke claim op een leugen; hij was een ‘Valse Antoninus’, zoals Dio niet nalaat keer op keer te vermelden. Op het aardse vlak viel er voor Heliogabalus dus weinig eer te behalen. Een religieus fundament leek de enige mogelijkheid om zijn positie als Romeins heerser op een overtuigende manier te legitimeren.
Munten tonen Heliogabalus als hogepriester van Elagabal, offerend aan de nieuwe oppergod. De opschriften van deze munten luiden onder andere SACER(DOS) DEI SOLIS ELAGAB(ALI), SVMMVS SACERDOS AVG(VSTVS) en INVICTVS SACERDOS AVG(VSTVS); respectievelijk ‘priester van de zonnegod Elagabal’, ‘de hoogste priester-keizer’ en ‘de onoverwinnelijke priester-keizer’. [36] Met name het laatste opschrift geeft de achterliggende gedachte goed weer: Heliogabalus was niet ‘zomaar’ een keizer, maar de hogepriester van de oppermachtige zonnegod Elagabal. Zoals we hebben gezien, fungeerde Elagabal als zijn conservator; zijn goddelijke beschermer. Deze bovennatuurlijke bescherming maakte Heliogabalus onoverwinnelijk. Als sacerdos amplissimus dei invicti Solis Elagabali, zoals de officiële keizerlijke titel luidde, trad hij bovendien op als intermediair tussen de goden- en de mensenwereld. Zijn bevoorrechte positie stelde hem in staat het rijk te verzekeren van de voortdurende gunst van Elagabal. Hij, en hij alleen was in staat het heil van zijn onderdanen te waarborgen.
De positieve draai die Heliogabalus’ ondergeschikten aan zijn religieuze hervormingen probeerden te geven, sorteerde niet het gewenste effect. De cultus van Elagabal was voor de Romeinen te vreemd en exotisch om als fundament voor een nieuw keizerlijk imago te kunnen dienen. Integendeel, de grove inbreuk op de Romeinse religie en tradities zorgde er alleen maar voor dat Heliogabalus zijn onderdanen steeds verder van zich vervreemdde. Herodianus beschrijft hoe zijn grootmoeder hem aanspoorde om de staatszaken over te laten aan Alexianus, zijn gunstig bekendstaande neefje. [37] Voor één keer gaf de keizer toe: op 26 juni 221 adopteerde hij Alexianus als zijn zoon en opvolger. Alexianus nam de titel Caesar aan en veranderde zijn naam in Alexander. [38] Rond dezelfde tijd scheidde Heliogabalus van Aquilia Severa en trouwde met Annia Faustina, een vrouw die haar afstamming kon terugvoeren op de geliefde keizer Marcus Aurelius. Ook dit zou kunnen worden beschouwd als een maatregel om een minder controversiële koers te gaan varen.
Lang heeft deze diplomatieke fase echter niet geduurd. Nog voor het einde van het jaar scheidde Heliogabalus van Annia Faustina en nam de Vestaalse ex-maagd Aquilia Severa terug als vrouw. Zijn populariteit nam steeds verder af, niet in de laatste plaats bij de soldaten van de pretoriaanse garde, zijn persoonlijke lijfwacht, die zich niet konden identificeren met een keizer die geobsedeerd leek door een vreemde religie en niets deed wat bij hun in positieve zin opviel. De pretorianen richtten zich steeds meer op Alexander, die zich volgens de antieke auteurs veel ingetogener en ‘Romeinser’ gedroeg. Na een periode van groeiende spanningen, waarin Heliogabalus de loyaliteit van de soldaten steeds verder verspeelde, kwam het in maart 222 tot een noodlottige uitbarsting. De pretorianen kwamen in opstand en brachten Heliogabalus en zijn moeder om het leven. Ze riepen Alexander tot nieuwe keizer uit. Zodra die door de senaat was erkend, liet hij de nagedachtenis van zijn voorganger officieel door de senaat vervloeken – een zogenaamde damnatio memoriae. De beelden van Heliogabalus werden aan stukken geslagen en zijn naam werd uit inscripties gewist. [39] De god Elagabal werd uit Rome verbannen en Jupiter nam weer zijn traditionele plaats in aan het hoofd van het Romeinse pantheon.
Heliogabalus’ veroordeling door Alexander zal voor Cassius Dio, die zijn werk tijdens de regering van deze keizer schreef, een extra motivatie zijn geweest om de gehate voorganger zo zwart mogelijk af te schilderen. Ook zonder de damnatio memoriae lijkt het echter waarschijnlijk dat Dio de regering van Heliogabalus zwaar zou hebben veroordeeld. Als Romeins senator was hij sterk gehecht aan de Romeinse tradities, die door de priester-keizer uit Emesa met voeten waren getreden. Heliogabalus’ misdaad bestond er niet uit dat hij een buitenlandse god naar Rome had gebracht, maar uit het feit dat hij die god boven Jupiter had geplaatst en zichzelf tot diens priester had laten kiezen, aldus Dio. [40] Herodianus, die enkele decennia later schreef, was dezelfde mening toegedaan. Hij maakte bovendien nog mee dat het Romeinse rijk te maken kreeg met een geduchte tegenstander uit het oosten, namelijk het Nieuwperzische rijk der Sassaniden, dat in 226 was ontstaan. Deze Perzische dreiging is er misschien de reden voor dat het beeld van Heliogabalus als ‘oosterling’ met name in het werk van Herodianus zo nadrukkelijk aanwezig is. [41]
De Historia Augusta werd waarschijnlijk pas aan het einde van de vierde eeuw geschreven, toen de dreiging van de Sassaniden geen rol meer speelde. Over de ‘oosterse’ identiteit van Heliogabalus wordt in dit werk dan ook met geen woord gerept. Wel worden alle negatieve karaktereigenschappen van de keizer die bij Cassius Dio en Herodianus worden genoemd, in de Vita Heliogabali nog eens uitvergroot. In ongeloofwaardig en lachwekkend detail worden alle uitspattingen van de jonge monarch beschreven. Het accent ligt daarbij op de ongeëvenaarde weelde- en spilzucht van de keizer. Hij heeft banken van puur zilver en laat tijdens zijn excessieve banketten, die honderdduizenden of miljoenen sestertiën kosten, de vreemdste delicatessen aanrukken: kamelenhielen, hanenkammen en pauwen- en nachtegalentongen. Zijn honden voert hij ganzenlever. [42] Zelfs zijn dood moet een luxe aangelegenheid zijn: voor het geval hij zich ooit van het leven zou willen beroven, liggen overal koorden van rode en purperen zijde klaar, maar ook gouden zwaarden en edelstenen die zijn gevuld met vergif. De keizer laat zelfs een hoge toren bouwen, met op de grond gouden platen die zijn ingelegd met edelstenen, zodat hij zich daarop te pletter kan storten. [43] Alles staat bij hem in het teken van de weelde.
Daarnaast wekt de Vita Heliogabali de indruk een invectief tegen religieuze intolerantie te zijn. [44] Heliogabalus zou alle goden tot slaven van Elagabal hebben willen maken, of alle andere religies zelfs hebben willen vernietigen. [45] Zijn opvolger Alexander wordt daarentegen voorgesteld als een toonbeeld van religieuze tolerantie, die in zijn persoonlijke lararium naast beelden van vergoddelijkte keizers beelden van onder anderen Abraham, Christus, Orpheus en de filosoof Apollonius had staan. [46] Naar alle waarschijnlijkheid was de auteur van de Historia Augusta een heiden. Aangezien het christendom aan het einde van de vierde eeuw tot de Romeinse staatsreligie was verheven, zal hij de druk hebben gevoeld van een monotheïstische en in wezen intolerante religie. In de Vita Heliogabali schrijft hij Heliogabalus ook zulke intolerante trekjes toe, hoewel de keizer wel degelijk meerdere goden eerde en uit niets blijkt dat hij andere religies wilde uitroeien.
Zoals aan het begin werd aangestipt, lopen beeld en werkelijkheid van Heliogabalus reeds in de oudheid door elkaar. Ten dele is dit de verantwoordelijkheid van de keizerlijke administratie, die Heliogabalus probeerde te verheerlijken door hem als ‘nieuwe Antoninus’ en later als onoverwinnelijke priester-keizer te presenteren. Dio’s spotnaam ‘Valse Antoninus’ is een antwoord op deze keizerlijke zelfverheerlijking, waarmee de geschiedschrijver aangeeft niets te geloven van de dynastieke claim waarmee Heliogabalus de steun van de soldaten verwierf. De auteur van de Historia Augusta gaat nog verder in zijn kritiek. ‘Iedereen wist wel dat dit een onechte Antoninus was, in levenswijze en in naam’, laat hij zijn lezers weten. [47] Voor hem is er dus niet alleen een dynastieke reden waarom Heliogabalus geen recht heeft op de naam Antoninus, maar ook een morele: vanwege zijn vermeende decadente uitspattingen en liederlijke gedrag zou de keizer deze nobele naam niet waardig zijn.
Maar is de naam ‘Valse Antoninus’ niet evenzeer van toepassing op het negatieve beeld dat Cassius Dio, Herodianus en de Historia Augusta van Heliogabalus schetsen? Zoals we hebben gezien, is dit beeld immers sterk gekleurd door de persoonlijke vooroordelen en preoccupaties van de auteurs. Men zou kunnen stellen dat er verschillende ‘Valse Antonini’ zijn, waarvan het beeld dat door de keizerlijke administratie werd uitgezonden er één is. Cassius Dio en Herodianus hebben dit positieve, zelfverheerlijkende beeld verwrongen tot hun eigen ‘Valse Antoninus’; een negatieve karikatuur waarmee ze hun ongenoegen over de regering van de keizer duidelijk maakten. De auteur van de Historia Augusta ging nog een paar stappen verder en schiep een beeld dat bijna volledig los stond van de historische werkelijkheid. De historische Heliogabalus werd hierdoor willens en wetens naar de coulissen gedrukt. Wat rest, is een reflectie van een reflectie, een kleurrijke luchtspiegeling waarin kunstenaars en schrijvers uit latere tijden konden zien wat ze maar wilden. Zij brachten Heliogabalus naar het toneel, de opera, de roman en de strip. In die media maakt hij tot op de dag van vandaag zijn opwachting. De priester-keizer uit Emesa is achttien eeuwen geleden gestorven; de Valse Antoninus leeft nog steeds.
Nijmegen, 22 september 2005
NOTA'S
[1] L.M.A. Couperus, De berg van licht. Volledige werken Louis Couperus, deel 24 (Amsterdam – Antwerpen 1993) 442.
[2] Scriptores Historiae Augustae, Vita Antonini Heliogabali II, 2.
[3] Cassius Dio LXXIX, 30,2.
[4] Dessau, ILS 478 ( = CIL X 6569).
[5] Cassius Dio LXXIX 30,2; Herodianus V 3,3; SHA, Vita Ant. Heliog. 1,6; A.R. Birley, Septimius Severus. The African Emperor (London 1971) 304.
[6] Herodianus V, 3,3.
[7] Herodianus V, 3,5-6.
[8] Herodianus V, 3,8-9.
[9] Herodianus V, 3,10-11.
[10] Cassius Dio LXXIX, 6,1-2.
[11] Cassius Dio LXXIX, 31,3-4.
[12] Cassius Dio LXXIX, 37,3-4; 39,1; LXXX, 1,1.
[13] BMC V, Elagabalus, nrs. 7-9, 346§, 346?, 346¶, 346**.
[14] Cassius Dio LXXIX, 32,4; 34,4.
[15] SHA, Vita Ant. Heliog. I, 5.
[16] SHA, Vita Ant. Heliog. III, 1.
[17] Herodianus V, 5,3-4.
[18] Herodianus V, 5,6-7.
[19] Herodianus V, 7,4; 6,10; 7,8.
[20] Cassius Dio LXXX, 11.
[21] Cassius Dio LXXX, 14,3-4.
[22] Cassius Dio LXXX, 15,3,-4; 16,7.
[23] BMC V,Elagabalus, nrs. 223-224, 358; nrs. 29†, 164-168.
[24] BMC V, Elagabalus, nrs. 126-127; nrs. 151-153, 218-222A.
[25] Cassius Dio LXXX, 9,3.
[26] Cassius Dio LXXX, 9,3; Herodianus V, 6,2; SHA, Vita Ant. Heliog. VI, 6; BMC V, Elagabalus, nrs. 184-188?.
[27] BMC V, Elagabalus, nrs. 138-142; nrs. 197-200.
[28] AE 1975, nr. 775; 1961, nr. 79; 1964, nr. 269; CIL VII 585; XVI 139, 140, 141.
[29] SHA, Vita Ant. Heliog. III, 4-5; Herodianus VI, 1,3.
[30] Herodianus V, 6,4-5.
[31] Herodianus V, 6,3.
[32] Herodianus V, 5,8-10.
[33] Herodianus V, 6,6.
[34] Herodianus V, 6,6-7.
[35] Herodianus V, 6,6-9.
[36] BMC V, Elagabalus, nrs. 225-228, 332, 359-360, 364§; nrs. 230-233, 333-334; nrs. 209-213, 330, 350, 368.
[37] Herodianus V, 7,1-2.
[38] Fink, R.O., A.S. Hoey, W.F. Snyder, ‘The Feriale Duranum’, Yale Classical Studies 7 (1940) 1-222, aldaar 141; CIL VI 2001; VII 585.
[39] Dessau, ILS 468-469, 471-472.
[40] Cassius Dio LXXX, 11,1.
[41] M. Sommer, ‘Elagabal – Wege zur Konstruktion eines “slechten” Kaisers’, Scripta Classica Israelica. Yearbook of the Israel Society for the Promotion of Classical Studies 23 (2004) 95-110, aldaar 109-110.
[42] SHA, Vita Ant. Heliog. XX, 4-5; XXIV,3; XXI, 1.
[43] SHA, Vita Ant. Heliog. XXXIII, 2-6.
[44] Th. Optendrenk, Die Religionspolitik des Kaisers Elagabal im Spiegel der Historia Augusta (Bonn 1969) 12.
[45] SHA, Vita Ant. Heliog. VII, 4; VI, 7.
[46] SHA, Vita Alexandri XXIX, 2.
[47] SHA, Vita Ant. Heliog. XXXIII, 8.
|